Auteur: Ingrid Bes

Als 4-jarige kleuter werd ik ingeënt tegen de pokken. Mijn moeder was een brave ziel en volgde het door de overheid opgestelde inentingsprogramma. Met mij en mijn oudere zusje liep ze naar de GGD, vlakbij ons huis. Ik herinner me nog de bijzondere geur die in de ruimte hing. Later op de lagere school kwam die geur nogmaals voorbij als we krasjes kregen om te checken of we tbc hadden. We stonden dan in rijen opgesteld, wachtend op het volgende martelmoment, menigeen viel voor het krasmoment al flauw in de rij, net zoals kinderen flauwvielen in de kerk bij de ochtendmis, omdat er voor de hostie niet gegeten mocht worden. Dan hoorde ik een doffe plof en dan lag er weer een klasgenootje lijkbleek tussen de houten kerkbanken. Wat een martelingen voor ons jonge kinderen, maar goed, terug naar de GGD waar mijn moeder mij overgaf aan een zuster die achter heel veel klaarliggende prikken zat. Zij jaste zonder blikken of blozen die pokkenprik in mijn linker bovenarm. Krijsen natuurlijk, want niet één kind vindt het fijn om expres pijn gedaan te worden. Pleister erop en huilend op mijn moeders arm mee terug naar huis.

Gelukkig verwende mijn moeder ons altijd wel na zoiets afgrijselijks. We wachtten dan voor het raam op de komst van de bakkerskar van Van Hus en dan kocht mijn moeder van die heerlijke witte verse kadetjes, belegde deze met roomboter en witte kristalsuiker. In mijn herinnering het lekkerste gebakje ooit.

Na een aantal dagen moest die pokkenprik opkomen. Mijn moeder nam ons mee voor controle. Mijn zus was de geluksvogel, bij haar kwam de pok meteen op en werd diep naar binnen gezogen.  Bij mij: Niets te zien, niets te voelen, dus hup nog een keer die pokkenprik ondergaan. Ik weet nog goed, dat ik heel verdrietig was, want na een aantal dagen, weer op controle, nog steeds geen voelbare of zichtbare pok, dus weer geprikt. Dit herhaalde zich menigmaal. Mijn moeder hield dapper vol en ik moest wel mee. Eindelijk, na ik weet niet meer hoeveel pogingen kwam die verdomde pok op mijn arm. Ontsierend dik en bol met een rafelige buitenrand. Heel anders dan de pokken van mijn zussen die diep verscholen in hun huid lagen. Die van mij bolde op, kreeg een donkerdere kleur en jeukte. Ik voelde me met mijn pok het lelijke eendje in ons pokkengezin. Heel veel jaren later dacht ik: Waarom hebben ze mij zolang met pokken geprikt? Er kwam lang niets op. Misschien was ik van nature wel bestand tegen pokken?

Scroll naar boven